PatiŽnt gebonden onderzoek

Het patiŽnt gebonden onderzoek kent twee lijnen:
  1. De verbetering van de selectie van patiŽnten die in aanmerking komen voor zenuwchirurgie;
  2. De analyse van resultaten van (nieuwe) chirurgische zenuw reconstructie technieken.
De resultaten van het onderzoek worden regelmatig gepresenteerd op nationale en internationale congressen en worden gepubliceerd in medisch wetenschappelijke tijdschriften. De gegevens worden alléén op groepsniveau gepresenteerd, en nooit op individueel niveau. Uw privacy en het medisch beroepsgeheim worden daarmee gerespecteerd.
 

Lopend onderzoek

Zenuwletsels
 
1. het obstetrisch plexus brachialis letsel 
In het LUMC is in de loop van de afgelopen 25 jaar een van de grootste groepen patientjes ter wereld met een obstetrisch plexus brachialis letsel zenuwchirurgisch behandeld. In deze groep worden een aantal specifieke zaken in kaart gebracht.
  • Recent is gestart met het ZAP-Plexus onderzoek. Hier vindt u meer informatie over dit onderzoek.
  • Bij zenuwtransplantatie wordt een zenuw uit de kuit (N suralis) gehaald. In het LUMC gebeurt dit met behulp van een kijkertje (endoscoop) die door een klein sneetje onder de huid wordt gebracht. Hierdoor wordt vermeden dat de kinderen een groot litteken over de kuit krijgen. In samenwerking met de TU Delft wordt gewerkt aan de ontwikkeling van nieuw instrumentarium voor het vereenvoudigen van de endoscopische uitname van de N suralis.
  • Na de zenuwchirurgie ontstaan bij sommige patientjes gewrichtsverstijvingen. Het is niet altijd duidelijk hoe deze het beste behandeld kunnen worden. Onderzocht wordt of botuline toxine bij de behandeling van contracturen een rol kan spelen.
  • Naast zenuwchirurgie kunnen peestransposities de armfunctie verbeteren. Onderzocht wordt bij welke kinderen, wanneer en op welke wijze peestransposities een toegevoegde waarde hebben.
  • Het meten van het functioneren van patientjes wordt wereldwijd op vele verschillende manieren gedaan. Hierdoor is het moeilijk om het effect van verschillende type behandelingen met elkaar te vergelijken. Ook is het moeilijk om te interpreteren hoe goed nieuwe behandelingen zijn. Door de LUMC groep is een internationaal consortium van specialisten opgezet om uniformiteit in meetinstrumenten te ontwikkelen.
  • Recent is gestart met een onderzoek naar de sociale, cognitieve, en gedragseffecten welke mogelijk samenhangen met het geboorte letsel van de plexus brachialis.
  • Naast het onderzoek op de kinderleeftijd wordt ook onderzoek gedaan bij volwassenen met een obstetrisch plexus brachialis letsel. Deze groep volwassenen is in het verleden niet geopereerd aan de plexus brachialis omdat de zenuwchirurgische behandeling van dit letsel pas relatief recent is ingevoerd. Met behulp van zenuwmetingen (klinische neurofysiologie) en fMRI wordt nauwkeurig geanalyseerd welke schade is ontstaan door het plexus brachialis letsel bij de geboorte. Hiervan wordt verwacht dat er nieuwe inzichten verkregen worden welke mogelijk de behandeling van recent geboren babyís kan verbeteren.
2. Volwassenen met een traumatisch plexus brachialis letsel
Met behulp van fMRI wordt onderzocht welke veranderingen er in de hersenen optreden na het omleggen van zenuwen. De hersenen kunnen zich tot op zeker hoogte aanpassen en de controle van functies van omgelegde zenuwen aansturen, de zgn. cerebrale plasticiteit. Onderzocht wordt welke veranderingen in de hersenen optreden, of daar beperkingen aan zijn en of deze de uiteindelijke functionele uitkomst kunnen beperken.
 
Zenuw beknelling
 
1. Carpaal tunnel syndroom
In Nederland is de prevalentie van het carpaal tunnel syndroom (CTS) 0,6% bij mannen en 9,2% bij vrouwen. Er is al redelijk veel bekend over de effectiviteit van operatieve behandeling voor CTS in vergelijking met conservatieve behandeling. Dit is in grote groepen patiŽnten onderzocht. Maar elke individuele patiŽnt is anders. Met observationeel onderzoek wordt in kaart gebracht welke patiŽnten het meest gebaat zijn bij een operatie voor hun CTS en welke patiŽnten wellicht beter af zijn zonder operatie. Door het systematisch verzamelen van een groot aantal gegevens in deze studie wordt verwacht dat deze vraag beantwoord kan worden. Het doel is dat de arts de conclusies in de toekomst kan gebruiken bij de keuze van behandeling bij de individuele patiŽnt met een CTS.
 
2. Nervus ulnaris syndroom
De cijfers van het voorkomen van het nervus ulnaris syndroom bij de elleboog (NUS) wisselen tussen een incidentie van 0,2% en 24.7%. De huidige benaderingswijze is dat patiŽnten met milde klachten van hun NUS en met gering of geen krachtsverlies conservatief worden behandeld, bv. door houdingsadviezen en/of een brace. PatiŽnten met ernstige klachten en krachtsverlies, worden meestal geopereerd. In een prospectief observationeel onderzoek wordt onderzocht of deze benadering correct is; conservatieve en chirurgische behandeling zijn nog nooit goed met elkaar vergeleken. Daarnaast wordt onderzocht welke factoren van invloed zijn op de uitkomst van een operatie.