Zenuwbeknellingen; CTS, ulnaris, halsrib, Meralgia paresthetica

Zenuwbeknellingen algemeen
Een zenuw kan bekneld raken in zijn traject. Dit kan leiden tot klachten zoals tintelingen, pijn of vermindering van kracht en/of gevoel. Typische plaatsen waar een beknelling kan ontstaan, zijn deze waar de zenuw door een tunnel gaat. De tunnel is meestal in de buurt van een gewricht en wordt voor een deel gevormd door (een gootje van) bot en deels door (een bandje van) bindweefsel. Door aanhoudende druk op de zenuw kan in de loop van de tijd schade ontstaan. Deze kan nog toenemen door herhaalde bewegingen waarbij de zenuw steeds een "tikjeĒ krijgt. De schade in de zenuw ontstaat door lokale verandering in de zenuwbloedvoorziening en vermindering van het isolerende deel (myeline) rond de zenuwvezels. Hierdoor vermindert de signaaloverdracht in de zenuw.
 
Type beknellingen
  • Carpale Tunnel Syndroom. De meest voorkomende zenuwbeknelling ontstaat bij de pols, het zogenaamde carpale tunnel syndroom (CTS).
  • Nervus Ulnaris Syndroom. Daarna komt het nervus ulnaris syndroom het meeste voor, dit is een beknelling bij de elleboog.
  • Halsrib Syndroom. Meer zeldzame beknellingen in de arm zijn het halsribsyndroom en beknelling van de nervus suprascapularis. In het bovenbeen kan compressie van de nervus cutaneous femoris lateralis optreden (meralgia paresthetica)en bij de enkel het tarsale tunnel syndroom.
  • Soms ontstaat een zenuwbeknelling in het kader van een systemische ziekte zoals rheumatoide arthritis, acromegalie, of hypothyreoidie of ontstaat het tijdens de zwangerschap.

Indien de klachten hinderlijk zijn of er uitval ontstaat kan de zenuw chirurgisch worden vrijgelegd. Hierbij wordt dan een bindweefsel bandje doorgenomen. Of de zenuw daarna compleet herstelt en hoe snel, en of de klachten helemaal verdwijnen, hangt af van de mate van schade binnenin de zenuw. Vaak is de schade afhankelijk van de duur van de beknelling en de ernst daarvan.



Het Carpaal Tunnel Syndroom (CTS)

 Patientfolder CTS


Oorzaak
Het carpaal tunnel syndroom (CTS) wordt veroorzaakt door een beknelling van de nervus medianus (1) in de pols. De nervus medianus loopt vanuit de onderarm door een gootje (gevormd door de handwortelbeentjes (3)) onder een bindweefsel bandje (2) naar de handpalm. Dit traject wordt de carpale tunnel genoemd.
 
Symptomen bij CTS
Typische klachten zijn nachtelijke tintelingen in eerste drie vingers van de hand waardoor U wakker wordt. Wapperen met de hand kan de klacht verminderen. Als de beknelling langer bestaat, kan het gevoel van de huid verminderen in de duim, wijsvinger, middelvinger en een gedeelte van de ringvinger. Hierdoor ontstaat moeite om fijne voorwerpen goed vast te houden, zoals naald en draad. Ook kan krachtverlies in de hand optreden, bijvoorbeeld moeite met potjes opendraaien. Ook kunnen overdag tintelingen voorkomen bijvoorbeeld bij fietsen of autorijden. Minder vaak komt pijn in de hand of onderarm voor, maar deze kan zeer hevige zijn en zich uitbreiden door de gehele arm.

Onderzoeken en het vaststellen van de diagnose
Regelmatig komt het CTS dubbelzijdig voor. Bij een typische presentatie van het beeld is de diagnose al nagenoeg zeker na onderzoek in de spreekkamer. Met zenuwgeleidingsonderzoek ter hoogte van de pols (EMG) kan worden vastgesteld of de klachten berusten op een CTS. Dit onderzoek wordt uitgevoerd door de neuroloog, klinisch neurofysioloog of een gespecialiseerde laborant. Bloedonderzoek, rŲntgenfoto's en scans hebben geen plaats bij de diagnostiek van een CTS.

Behandeling van CTS
De behandeling is afhankelijk van de ernst, de duur, arbeidsomstandigheden en de voorkeur van de patiŽnt. Conservatieve therapie zoals (nachtelijke) spalken, injecties met corticosteroÔden of ergonomische aanpassingen kunnen effectief zijn, maar het effect is meestal tijdelijk. Bij langdurige en ernstige klachten is een operatie de beste keus. Dit is een behandeling waarvan bijna alle patiŽnten verbetering bemerken. De operatie wordt in principe poliklinisch uitgevoerd onder lokale verdoving door een neurochirurg.
 


Het nervus ulnaris syndroom

 
Anatomie
Het nervus ulnaris syndroom wordt veroorzaakt door beknelling van één van de drie grote armzenuwen, namelijk de nervus ulnaris. Als deze zenuw geÔrriteerd raakt, is dat meestal ter hoogte van de elleboog. De zenuw loopt aan de achterzijde van de elleboog dicht aan de oppervlakte onder het benig uitsteeksel (bekend als het ítelefoonbotjeí). De nervus ulnaris loopt daar door een gootje van bot dat is afgedekt door een pezige band aan de binnenzijde van de elleboog. De zenuw is op deze plaats kwetsbaar voor beschadiging.
 
Klachten
De klachten bestaan uit een tintelend, prikkelend gevoel in het gebied waar de zenuw naartoe loopt, namelijk de pink en een deel van de ringvinger. Iedereen kent dit gevoel bij het ongelukkig stoten van de elleboog waarbij de zenuw geraakt wordt. Ook kan gevoelsvermindering in pink en ringvinger optreden en er kan krachtsvermindering van de hand ontstaan. De hand kan daarbij ook dunner worden. Misleidend daarbij is dat de tintelingen dan vaak afnemen. In het ergste geval verandert de stand van de vingers door krachtverlies van de kleine spieren in de hand, waardoor een Ďklauwhandí ontstaat. Soms zijn de tintelingen dan al verdwenen. De klachten van tintelingen treden voortdurend op en kunnen verergeren door bewegen van de elleboog of door druk op de elleboog. De tintelingen zijn hinderlijk, maar als er sprake is van blijvende gevoelstoornissen en krachtsverlies, is het verstandig een arts te raadplegen. Soms komen deze klachten aan beide armen voor.

Oorzaak
De klachten worden veroorzaakt door beknelling of voortdurende irritatie van de zenuw. Meestal is er geen duidelijke verklaring voor het ontstaan van de irritatie van de zenuw. Soms wordt irritatie van de zenuw veroorzaakt door uitwendig letsel, zoals bij vaak leunen of steunen op de elleboog of door een vroeger doorgemaakte botbreuk of ongeval. Bij sommige patiŽnten is de zenuw te beweeglijk en glijdt deze bij buigen van de elleboog telkens over het botuitsteeksel.

Onderzoek en het vaststellen van de diagnose
Bij lichamelijk onderzoek kunnen gevoelstoornissen in de pink en de aangrenzende helft van de ringvinger worden gevonden. Soms is er ook krachtvermindering van de kleine handspieren zodat het sluiten en spreiden van de vingers niet goed meer mogelijk is. De handspieren kunnen dunner worden (atrofie) zodat de hand knokkelig wordt. Vaak is de zenuw bij de elleboog gevoelig voor druk, en ontstaan pijnlijke tintelingen bij kloppen op de zenuw. Om de diagnose te bevestigen wordt een zenuwonderzoek aangevraagd, het zogenaamde EMG (electromyografie). Hiermee is te zien of de zenuw elektrische impulsen goed geleidt langs de elleboog. Ook kan een eventuele beknelling van de ulnaris zenuw op een andere plaats worden uitgesloten. Wanneer een botafwijking wordt vermoed, kan een rŲntgenfoto van de elleboog worden gemaakt.

Behandeling
De diagnose wordt in eerste instantie gesteld door de neuroloog; vaak is er geen speciale behandeling nodig. Door vermijden van druk op de elleboog door leunen of steunen, en door vermijden van intensieve armbewegingen, kunnen de klachten verdwijnen. Bij ernstige blijvende klachten of als er een toenemende uitval is, wordt u verwezen naar de neurochirurg. Deze bespreekt de behandelingsmogelijkheden met u. Bij blijvende hinderlijke tintelingen in pink en ringvinger kan een operatie zinvol zijn.

Operatie
In eerste instantie wordt de zenuw onder plaatselijke verdoving vrij gelegd. Dit gebeurt door de pezige band die het dak van de goot vormt waardoor de zenuw loopt, door te nemen, zodat er meer ruimte voor de zenuw komt. Deze operatie vindt poliklinisch plaats onder lokale verdoving en duurt ongeveer 45 minuten. De tintelingen in de vingers nemen bij ongeveer tweederde van de patiŽnten geleidelijk af na het vrijleggen van de zenuw. Als na het vrijleggen van de zenuw toch tintelingen aanwezig blijven, kan een andere operatie plaatsvinden, namelijk het omleggen van de zenuw vanuit de goot naar de voorzijde van de elleboog. Deze ingreep vindt meestal plaats onder algehele narcose, en hiervoor is een dagopname noodzakelijk. Bij een kleine groep patiŽnten nemen de klachten ook na deze operatie niet af.



Zenuwbeknelling door een halsrib of halsstreng

De klachten passend bij het halsribsyndroom worden gekenmerkt door een doof gevoel in de binnenzijde van de onderarm. Daarbij komen er subtiele veranderingen in de hand voor zoals stijfheid, minder controle, voorwerpen laten vallen, snellere vermoeidheid, krachtsvermindering en soms kramp. Er kunnen problemen zijn met fijne motorische handelingen zoals schrijven, knopen dichtmaken en potten openen. De hand kan langzaam dunner worden doordat de kleine spiertjes uitvallen. Soms bestaat er een diffuse pijn en zwaar gevoel in de arm. De genoemde verschijnselen komen vrijwel altijd aan één kant voor.

Oorzaak
De klachten worden veroorzaakt door druk op het onderste deel van de zenuwbanen (zenuwwortels C8 en/of T1 of de truncus inferior van de plexus brachialis) die van de nek naar de arm en hand lopen. De druk wordt vaak veroorzaakt door een aangeboren (goedaardige) anatomische variatie waarbij er een kleine rib bestaat die aan de onderste halswervel is verbonden (de halsrib). Het halsribsyndroom wordt ook wel neurogene thoracic outlet syndroom (NTOS) genoemd. De meeste patiŽnten met een halsribsyndroom zijn jonge, slanke adolescenten (meestal vrouwen). Na het doormaken van een groeispurt ontstaat een veranderde anatomie van de structuren die de thoracic outlet vormen. Dikwijls wordt als oorzaak eerst gedacht aan een nekhernia, een beklemming van de n. ulnaris bij de elleboog of het carpaal tunnelsyndroom. Vaak gaat er een relatief lange tijd voorbij totdat de juiste diagnose wordt gesteld. Hierdoor worden patiŽnten meestal pas in een laat stadium verwezen. Vaak is dan al te zien dat de hand dunner is geworden.
 
Behandeling
Chirurgische decompressie van de beknelde zenuw kan dit meestal niet meer terugdraaien. Wel zal met een operatie voorkomen worden dat de hand functie verder verslechtert. Vaak verdwijnen de diffuse klachten in de arm. Uitgebreide informatie kunt U vinden in een publicatie van onze groep.
 
 



Meralgia paresthetica
 
 Meralgia paresthetica
 
 
Meralgia paresthetica is een aandoening waarbij hinderlijke tintelingen en/of brandende pijn en/of een verminderd gevoel bestaat in het buitenste deel van het bovenbeen. Dit komt doordat een gevoelszenuw bekneld is die naar het "broekzakgebiedĒ van de huid van het bovenbeen loopt. Deze zenuw gaat niet naar de beenspieren en heeft daarom geen invloed op de kracht van het been. De officiŽle naam van de zenuw is "nervus cutaneus femoris lateralisĒ. Deze zenuw ontstaat tussen de 2de en 3de  lende wervel van de rug en loopt dan tegen de binnenzijde van het bekken naar voren, en gaat net onder de voorste knokkel van de bekkenkam onder de liesband naar het been. De beknelling zit vaak op de plaats waar de zenuw uit het bekken komt en onder de band doorloopt.
 
Oorzaak
Meralgia paresthetica kan veroorzaakt worden door strakke kleding, overgewicht of gewichtstoename, bedlegerigheid en zwangerschap. Meralgia paresthetica kan ook ontstaan door een letsel van de zenuw door een ongeluk of een operatie in de buurt van de liesband, of door ziekte zoals diabetes. De klachten kunnen toenemen bij lopen, staan of liggen of in een bepaalde houding. Het merendeel van de mensen met  meralgia is tussen de 30 en 60 jaar oud.
 
 
Diagnose
De diagnose meralgia paresthetica kan in de meeste gevallen door uw arts worden gesteld op basis van uw klachten, medische voorgeschiedenis en een lichamelijk onderzoek.  Soms wordt er aanvullend onderzoek verricht, bijvoorbeeld een echografie van de zenuw, een MRI scan van de zenuwen bij de rugwervelkolom  of een zenuwgeleidingsstudie (SSEP).
 
Behandeling
De behandeling van meralgia paresthetica is gericht op het verminderen van de beknelling van de zenuw. Dit lukt soms door het vermijden van bepaalde houdingen of activiteiten die de klachten doen toenemen, het dragen van lossere kleding of door af te vallen. Meestal gaat de pijn dan weg binnen een paar maanden. Ook kunnen pijnstillers  worden gegeven om het ongemak te verlichten of wordt een injectie toegediend (zenuw-blokkade). Indien de klachten niet voorbijgaan of toenemen en de medicijnen niet goed werken kan een operatie worden verricht. Hierbij wordt de beknelling van de zenuw opgeheven en de druk van de zenuw gehaald. De geprikkelde zenuw kan dan tot rust komen en de klachten worden minder in de weken na de operatie. Bij de meeste mensen herstelt het gevoel in het broekzakgebied in de loop van maanden. De operatie vindt plaats in dagbehandeling onder algehele narcose en wordt over het algemeen als weinig belastend ervaren.